Home   Gallery   Visuele training:

Visuele training:

Op welke onderdelen wordt getraind?

visuele trainingDe visuele training wordt in de praktijk Unique Child gegeven. Dit is op basis van de FON Functionele Oogzorg Nederland en van het CNLS (Centrum voor Nieuwe Leerstrategieën). Om te bepalen of een training zinvol is, starten we altijd met een meting. Voor meer informatie over de meting, klik hier.

Visuele training heeft inmiddels een stevige basis in de wetenschap van het zien verworven. Zowel de toepassing als het positieve effect ervan is terug te vinden in de wetenschappelijke literatuur. Vooral in Amerika wordt visuele training veel toegepast.

Tijdens de visuele training oefenen en verbeteren we verschillende visuele vaardigheden. Deze visuele vaardigheden worden in de praktijk voorgedaan en het kind krijgt oefeningen mee naar huis om thuis te oefenen. Na twee weken komt het kind weer terug en worden de vorderingen bekeken en worden nieuwe oefeningen meegegeven.

Afhankelijk van de oorzaak van het probleem wordt er op de volgende onderdelen getraind:

De samenwerking tussen beide ogen (binoculair zien):
Beide ogen moeten als een team samenwerken zodat de ogen gelijktijdig en gelijkmatig op hetzelfde object kunnen fixeren en scherpstellen. Dan zien de ogen een enkelvoudige (niet dubbele) waarneming. Dit moeten de ogen kunnen op wisselende plaatsen en afstanden met zo weinig mogelijk inspanning en energieverlies. 

 

Accommoderen (scherpstellen): visuele training Het is belangrijk dat men op iedere gewenste afstand gedurende langere tijd scherp kan blijven zien zonder moe te worden, zowel veraf als dichtbij. Daarnaast is het belangrijk dat men vlot van kijkafstand kan wisselen van veraf naar dichtbij of andersom, zonder een wazig of dubbel zicht te krijgen. Dit is belangrijk bij bijvoorbeeld: autorijden, sporten of het overschrijven van een tekst van het schoolbord.  Als je een slecht accommodatievermogen hebt, kun je last hebben van vermoeidheid, hoofdpijn, concentratieproblemen en weerzin hebben in visuele activiteiten. 

 

Convergeren:
Convergentie is het naar binnen richten van de ogen. Dat gebeurt met name als iets van dichtbij moet worden waargenomen. Convergeren gaat normaliter samen met accommoderen. Het tegenovergestelde van convergeren is divergeren. Convergeren speelt een grote rol bij het vormen van één beeld met twee ogen. Als een kind leesproblemen heeft, kan er sprake zijn van problemen met de convergentie. Je ziet dan bijvoorbeeld dat een kind steeds dichter met zijn neus op het papier gaat lezen. 

 

visuele trainingOog-volgbewegingen:
De ogen moeten in staat zijn een bewegend voorwerp soepel en zonder hapering te kunnen volgen, zowel afzonderlijk als samen, zonder dat het hoofd meebeweegt. De vaardigheid om een bewegend voorwerp rustig en accuraat met beide ogen te volgen is bijvoorbeeld van belang bij balsporten, zoals bij tennis of voetbal.

 

Saccadische oogbewegingen:
Saccadische oogbewegingen, het verspringen van de ogen van fixatiepunt naar fixatiepunt, zijn van invloed op de leerprestaties. Onvoldoende ontwikkelde saccadische oogbewegingen kunnen leiden tot regels overslaan bij het lezen, het beginnen te lezen op een verkeerde regel of het herhaaldelijk teruglezen van wat reeds gelezen is. 

 

Diepte perceptie:
De vaardigheid om afstandsverschillen te beoordelen en driedimensionaal te kunnen zien. Deze situaties komen onder andere voor bij het gooien van een bal, het lopen op de trap, maar nog belangrijker tijdens het deelnemen aan het verkeer, bijvoorbeeld als men wil inhalen of oversteken en de snelheid/afstand van een tegenligger moet inschatten.

 

Perifere zicht:
Als je goed wil bewegen in de ruimte zonder de hele tijd alle kanten op te hoeven kijken en zonder regelmatig dingen om te stoten, heb je een goede perifere waarneming nodig. Tijdens het lezen gebruik je deze vaardigheid om een goed overzicht op de bladzijde te hebben en om goed de regelsprong te kunnen maken. Het perifere zicht is het vermogen om waar te nemen en te interpreteren wat er om je heen gebeurt terwijl je naar een bepaald punt kijkt. 

 

Esoforie:
Scheelzien of strabisme is een afwijking waarbij er een verschil is tussen de richting waarin de twee ogen kijken. Een van deze twee ogen kan dan bijvoorbeeld naar buiten (exo-) of naar binnen (eso-) gericht staan of hoger (hyper-) of lager (hypo-). Is deze afwijking duidelijk zichtbaar dan spreekt met van een tropie (dus exotropie e.d.). Het effect hiervan is dat de twee afzonderlijke beelden van de ogen dan niet meer samenvallen, maar dus dubbelbeelden veroorzaken. Is dit op zeer jonge leeftijd het geval, dan kan er dus een amblyoop of lui-oog oog ontstaan. Bij een niet te grote afwijking kunnen de oogspieren dit verschil compenseren. Men spreekt dan van een forie. In dit geval esoforie. Soms kan deze compensatie erg veel moeite kosten en klachten geven in de vorm van hoofdpijn, vermoeide ogen en soms dubbelzien. Over het algemeen is deze afwijking aangeboren, maar kan het heel lang sluimerend en zonder klachten blijven. Op latere leeftijd kan deze ‘compensatie’ dan ineens losgelaten worden waarbij dan wel klachten ontstaan. Deze afwijking is te corrigeren met visuele training. 

 

Ruimtelijk (in)zicht:
Deze visuele vaardigheid hebben wij nodig om te weten waar je bent in de ruimte ten opzichte van andere personen en/of voorwerpen. Ook belangrijk om informatie over afstanden groottes en maten goed te verwerken. Het geldt voor zowel in de ruimte als op het platte vlak. 

 

Oog-hand coördinatie:visuele training De ogen sturen de handen om op het juiste moment en op de juiste afstand een handeling uit te voeren. Dit is een belangrijke vaardigheid om goed en netjes te kunnen schrijven, om voorwerpen op te kunnen pakken zonder ze om te gooien en goed te presteren met balsporten.